Valse start voor Koolmees (pensioenen)

Wouter Koolmees, onze nieuwe minister van SZW staat naar eigen zeggen voor de BNR microfoon te popelen om de pensioenen op de schop te nemen. Maar daar is geen enkele rationele reden voor.
Mercer maakt al 9 jaar een vergelijkende pensioen index. Natuurlijk is elke vergelijking arbitrair omdat er zoveel systeemverschillen zijn die de weging complex maken. Maar Mercer vergelijkt 30 landen aan de hand van 40 abstracte indicatoren. Het is een alom gewaardeerde graadmeter.
Dit jaar zijn we gedaald van A naar de B+ status. Winnaar Denemarken scoort een tiende punt hoger dan ons, maar haalt daarmee de A status ook niet. Dit terwijl Nederland en Denemarken beiden vorig jaar een A status behaalden. Nu is er geen enkel land met een A status meer over. Maar dat is geen reden voor paniek.

Mercer weegt de 40 indicatoren in 3 categorieën. Adequaatheid, toekomstbestendigheid en integriteit in een holistisch perspectief. De eerste pijler (AOW), tweede pijler (pensioen), derde pijler (Verzekeringen en netto prive vermogen). Dit jaar is een nieuwe indicator ingevoegd, namelijk de lange termijn economische groei (het gemiddelde over 3 jaar terug en 3 jaar vooruit gecorrigeerd met betalingsverplichtingen). Om de schaal gelijk te houden, is de weging van deze indicator ten koste gegaan van de weging van pensioen vermogen en de hoogte van verplichte bijdragen. Indicatoren waarop Nederland zeer hoog scoort tellen daardoor minder zwaar ten opzichte van een relatief lage score op economische groei. In de praktijk is er dus niets veranderd ten opzichte van vorig jaar, de meting is veranderd. In de totaalscores over 9 jaar zijn wat pieken en dalen te zien, maar we scoren aanzienlijk hoger als bij in de eerste index in 2009. Ons pensioenperspectief is feitelijk verbeterd.
Waar zitten de verschillen met Denemarken? Met name op toekomstbestendigheid scoort Denemarken aanmerkelijk hoger terwijl Nederland op adequaatheid en integriteit hoger scoort. De hogere Deense scores zitten in levensverwachting, de hoogte van verplichte bijdragen en de arbeidsparticipatie van ouderen. In de eindweging geeft dat dus een tiende punt voordeel aan Denemarken.

Mercer doet een aantal aanbevelingen voor Nederland. Invoering van een verplichte minimum toetredingsleeftijd, verhoging van het netto vermogen van huishoudens (is in Nederland laag door hoge hypotheekschulden), hogere arbeidsdeelname van 55 plussers en betere bescherming tegen betalingsonmacht van fonds of verzekering.

Dat zijn onderwerpen die weliswaar van invloed op pensioenen zijn, maar op andere politieke beleidsterreinen liggen. De twee belangrijkste beleidsmaatregelen die onze oudedagsvoorziening verbeteren:
– terugdringing van de collectieve hypotheek schuld. Dit gebeurt feitelijk al als gevolg van de lage rente en hoge belasting op spaargeld. Hernieuwde invoering van het huurwaarde forfait gaat die trend weer afremmen terwijl de lage rente in combinatie met heffing op vermogen sparen ontmoedigd.
– De pensioenleeftijd verschuiven (omhoog of omlaag) heeft een beperkt effect zolang werkgevers niet bereid zijn meer ouderen in dienst te nemen. Daarnaast kennen we een relatief hoge uitval in zware beroepen.

Daar moet dus iets aan gedaan worden.

De andere twee aanbevelingen zijn tamelijk technische zaken die weliswaar punten scoren maar in dit verband minder relevant zijn.
Uit het rapport valt echter nergens te lezen dat het systeem op de schop moet.

Voordat je nog meer onzin uitkraamt, je kunt het hier allemaal lezen Wouter.

#Metoo

Het is lang geleden want ik ben niet zo heel jong meer. In mijn jeugd was geweld een onderdeel van mijn leven. Mijn ouders sloegen wel eens en op de lagere school wilde de onderwijzers je ook nog wel eens corrigeren met een flinke klap om de oren. Op de Lagere Technische School werd veel gevochten. Soms in groepen, waarbij ze het vooral op de “kakkers” van het atheneum hadden voorzien. Vaak ook een tegen een. Ik was geen vechter en paste (misschien juist daarom) niet goed in. Dat leverde vaak en veel klappen op met als pijnlijks dieptepunt een gebroken rib en een kapotte fiets.
Toen ik ging werken kreeg ik wat problemen met mijn werkgever en werd voor straf in de graafploeg gezet. Kabels ingraven waar de machine niet kon worden ingezet. Een soort “chaingang” van 7 ruige mannen. Nou ja 7 min 1 ruige mannen die op een rij tegels lichten, graven, kabel trekken, dichtgooien, aanstampen en herstraten. Hard werk. S’ochtend om 6 uur stond de bus voor de deur en als je niet snel genoeg was, werden er vernederende obsceniteiten door de straat geschreeuwd. Tijdens het werk was gewoonte om meisjes na te roepen en te fluiten. Daar deed ik ook aan mee, want ik wilde niet buiten de groep vallen. Op een dag trokken ze een meisje van de fiets. Ik zei er voorzichtig iets van. Vervolgens werd ik de hele dag met homo aangesproken. Uiteraard was dat een scheldwoord in die groep.

Tegen het einde van de dag werd ik in de bus geduwd waar de leider van de groep zijn lul uit zijn broek had gehaald en werd ik gedwongen om hem te pijpen. Net toen ik zijn stinkende lid kon ruiken, ontsnapte ik of lieten ze mij ontsnappen. Kennelijk moest mijn “mannelijkheid” worden getest. Een paar weken later manouvreerde ik mij zodanig dat ik werd ontslagen. Ik was daarna een jaar werkloos. Ik heb er nooit iets mee gedaan in de hoop dat het een vergeten herinnering zou worden.
Ik was 21, het is lang geleden. Ik ken hun namen niet meer. Ik dacht dat ik het achter mij had gelaten, maar ze hebben mij voor het leven getekend. Dus bij tijd en wijle komt het terug. Ik ontleen er gelukkig ook veel strijdlust en rechtvaardigheidsgevoel aan, waarmee ik in mijn latere leven ver ben gekomen. Nadat onlangs een militair naar buiten kwam, ben ik gaan twijfelen of ik het zou publiceren. Ik zag een sterke bekentenis van Jane Fonda, ze had niet gesproken voor anderen en schaamde zich er voor. Nu er een golf is van vrouwelijke outings, wil ik mannen aanmoedigen om hetzelfde te doen. Want gaat niet over seks, maar over macht en vernedering. Dat is niet sekse gebonden en is van alle tijden en settings. Door te vertellen wordt het misschien iets gemakkelijker om te doen wat ik heb nagelaten. De daders ter verantwoording brengen. Door gebruik te maken van interne procedures voor ongewenst gedrag en in ergere situaties aangifte doen. Door de schaamte voorbij te gaan.

De helden van Lima

De straten van Lima zijn schoon. Elke dag is een leger van 1000 vrouwen en een enkele man op pad met een bezem en een rolcontainer. Ze zijn klein van stuk en dragen lelijke overals, petjes met nekflap en een monddoek. Ze zijn anoniem. Ze verdienen het minimum loon, ongeveer 280 dollar per maand. Alhoewel het leven hier naar onze maatstaven goedkoop is, lijkt het mij veel te weinig om fatsoenlijk rond te kunnen komen. Ik sprak een groep die na hun shift gedouched en in schone kleren bijeen kwam. Getekende vrouwen aan de onderkant van de maatschappelijke ladder.

Nathy vertelde dat hun grootste probleem het verkeer was. Peruaanse chauffeurs hebben weinig oog voor mensen te voet. Hun werkgever, een aannemer, vindt het niet nodig om de dames te verzekeren tegen een verkeersongeval. Een verkeersongeval is in zijn ogen geen arbeidsongeval. Voor de dames een fysiek, maar ook financieel risico. Medische zorg is niet gratis. We keken in de EHBO kast in het depot: leeg. De dames vertelden dat niemand eerste hulp kan verlenen.

Ik sprak ook met Maximo, één van de weinige mannen. Hij is machinist op een Bobcat. Hij klaagde over de massieve banden, die weliswaar nooit stuk gaan, maar funest zijn voor zijn rug.

We gingen naar een plek in Lima waar een straatveger was geraakt door een verdwaalde kogel. Zij was haar werk aan het doen in een straat waar een gewapende overval plaatsvond. Rosa is er niet meer. Een kleine ceremonie met kaarsen en een een toespraak werd afgesloten met het roepen van haar naam, waarop iedereen “presente” riep. Een ontroerend ritueel.

Zo’n 40% van de straatvegers zijn lid van hun kleine vakbond. Een vakbond die bij de gratie van een rijkere bond een kantoortje heeft onder golfplaten op het dak van het gebouw. Er staan wat oude computers en er hangen banners aan de muur. Een arme en zwakke vakbond die moeite heeft om alle problemen het hoofd te bieden. Een gammele David tegen een reusachtige Goliath. Toch is er een zekere trots en vastberadenheid. Met hun kracht en een beetje hulp van buiten moet het mogelijk zijn de levens van de straatvegers te verbeteren. De straatvegers zijn onzichtbare helden. Ze verdienen het!

Übernazi’s

Ik weet niet zo goed waar ik beginnen moet maar ik heb grote zorgen om Nederland en de rest van de wereld. Ik werk voor een grote wereld federatie van vakbonden. In duistere kringen zal het worden gezien als het links fascistische bijkantoor, zo niet het hoofdkwartier van het grote complot. Het grote complot dat door de Noorse terrorist Anders Breivik werd geherintroduceerd, het zogenaamde cultureel marxisme.

Het cultureel Marxisme is een rechts extremistische duiding van de vijand van het volk. In de warboel van opvattingen binnen de rechts extremisten valt een constante te ontdekken: het complot. Feministen hebben de westerse samenleving ondermijnd en de mannen verzwakt. Zwarte mensen (die minder intelligent zijn) verzilveren het schuldcomplex dat zij ons hebben aangepraat. Joden hebben onze financiele wereld overgenomen en ons geld gestolen. Homo’s hebben onze Joods Christelijke traditie ondermijnd. Daarmee is onze samenleving zo verzwakt dat moslims de macht zullen overnemen de mannen zullen onderwerpen zo niet vermoorden om uiteindelijk onze vrouwen te kunnen verkrachten. Dat alles is toegedekt door linkse fascisten en de EU. Alle instanties zoals statistiekbureaus, de media, de rechtspraak, de politie, de politiek en vooral de EU hebben daar aan meegewerkt omdat zij de regisseurs zijn van de vervangingsideologie. Wij, witte mensen moeten worden vervangen door moslim vluchtelingen.

Uit dit pallet van complot theorieën pakken de rechts extremisten naar behoeven de meest passende en strooien die rond. En steeds meer mensen twijfelen bij elk bericht wat ze horen of half begrijpen en plaatsen het in deze repeterende retoriek van twijfel en achterdocht. Onwelgevallige feiten worden meningen of nepnieuws en welgevallige meningen worden feiten.

De pijnlijke werkelijkheid is dat Breivik (fan van Geert Wilders) gelijk had dat hij onderdeel was van een grote beweging. Een beweging die uit hetzelfde vaatje tapt als Breivik: Het is de schuld van…(invullen naar keuze). Feitelijk zijn de fanatieke predikers van FVD en PVV mainstreamers van het gedachtengoed van Breivik. Het zijn geen crypto of neo-nazi’s, het zijn übernazi’s die hun misselijkmakende boodschappen verhullend verpakken. De holle populistische retoriek die hier bij hoort gaat de hele wereld over. Van Washington tot Pyongyang, van Moskou tot Manilla. Maar als Nederlander en Europeaan is het pijnlijk te zien dat op een continent waar niet zo lang geleden op een zelfde soort redenering 6 miljoen mensen zijn vermoord het bijna normaal is geworden om te zondebokken met diep denigrerende termen. Maar ook daar hebben ze een antwoord op, die 6 miljoen doden zijn verzonnen.

Heitje voor een karweitje, mag ik een pizza bezorgen?

Gig economy, achter de façade van dit hippe woord gaat een weerbarstige werkelijkheid schuil. ‘Heitje-voor-een-karweitje-economie’ dekt de lading veel beter.

De deurbel ging. Er stonden twee kinderen in padvindersuniform op de stoep. Ze wilden een klusje voor je doen. Dat koste een “heitje”. Vijf stuivers dus een kwartje: “Heitje voor een karweitje”. Zo leerden de kinderen in noden te voorzien en werd de clubkas gespekt. De beste padvinders konden een extra isigne op hun mouw spelden.

Vandaag de dag is bijna hetzelfde verdienmodel doorontwikkeld naar internetplatforms en algoritmes. Jij hebt trek, een restaurant heeft een afhaalmenu, het platform brengt vraag en aanbod bij elkaar en regelt een fietskoerier. Die fietskoerier is de padvinder, de clubkas een groot internet bedrijf. Dat lijkt een niche in de economie. Maar Amazon, Bol, Expedia, Bax, en nog vele anderen werken volgens hetzelfde principe. Overal zit ergens in de keten een soort padvinder die zo hard mogelijk moet fietsen om een onderscheidingsteken te verdienen. Het wordt zo georganiseerd dat de zwaksten het meeste risico dragen en de top van de piramide alleen incasseert.

In de bouw is een traditionele aannemer al lang geleden veranderd in een coördinatieplatform van onderaannemers en zzp-ers. Het enige nieuwe is de tussenkomst van internet platforms en algoritmes.

De kern van het verdienmodel is gelijk: maak zoveel mogelijk direct personeel aannemer of zzp-er waardoor je risico’s en lasten afschuift. Daarmee gaan de totale premieopbrengsten omlaag en wordt ons hele collectieve systeem ondermijnd.

Dat is niet het enige nadeel. Bedrijven schermen met het idee dat jonge mensen best het ondernemersrisico willen aangaan. Maar ondernemersrisico is een risico dat je moet calculeren in je prijs. Tegen welke prijs kun je diensten leveren waarbij je de risico’s zo klein mogelijk wilt houden en ook je “niet declarabele kosten” kunt dekken? Dat doe je met voorzieningen in je prijsstelling. Tot slot kom je de prijs in onderhandelingen overeen.

Een Deliveroo bezorger krijgt 4,75 euro per bezorging. Bij een gemiddelde van 3 bezorgingen per uur is dat van omzet 14,25 Euro per declarabel uur. Al is de vraag of ze 3 opdrachten per uur überhaupt kunnen halen. Los van het feit dat keihard racen door de stad gevaarlijke verkeerssituaties oplevert; zowel voor de koerier als de andere weggebruikers.

Van dit tarief moet je het volgende betalen:

-Inkomstenbelasting
-BTW
-Arbeidsongeschiktheidsverzekering
-Ongevallen verzekering
-pensioenvoorziening
-Administratie
-Afschrijving en onderhoud fiets
-Smartphone contract
-registratiekosten

Pas dan weet je dat je voor een schijntje fietst en daar ook nog vakantie en dergelijke van moet betalen. Want niet fietsen is geen geld.

Deliveroo krijgt een minimum van 6,50 per order van de restaurateur en de klant samen. Dat lijkt een schamel bedrag, maar buiten de fietsers zijn er nauwelijks kosten. In 2015 trapten zo’n 25,000 bezorgers 24 miljoen winst in de pocket van de eigenaren. En dat was vanwege investeringen een slecht jaar.

Wat wordt geduid met gig- of platform-economie is feitelijk een systeem waar de prijs vaststaat en degenen met de zwakste onderhandelingspositie de meeste winst genereren. En denk nou niet dat het alleen jonge avontuurlijke fietskoeriers zijn. Professionals in de zorg worden op een zelfde manier behandeld door verzekeraars. En het woekert verder door in de economie tot we allemaal padvinders zijn geworden die voor een heitje een karweitje mogen doen.

De valse hoeders van de horlepiep

“De Nederlandse cultuur bestaat niet” is de enige quote van onze Argentijnse Koningin die stof deed opwaaien. Ze had echter een punt. Toch er is er een heuse stroming in Nederland die meent dat onze unieke cultuur en identiteit wordt bedreigd. Biologisch verdunde Fransman Baudet sprak van homeopatische verdunning van het Nederlandse volk. Zijn eveneens verdunde maatje Cliteur wilde zelfs het relativeren van de Nederlandse cultuur strafbaar stellen. Nadat Baudet het op twitter bijna als partij manifest had verheven, beriep Cliteur zich op ironie (een van oorsprong Grieks woord voor het Nederlandse schimp redeneren). Als je geen van Rossum heet kun je deze stijlfiguur beter mijden. Het gekkenhuis zit vol met onbegrepen genieën. Maar goed, genoeg over Kuifje en professor Zonnebloem.

Het is komkommer tijd. De nieuwsfabriek draait op tweets van Trump en heeft verder weinig boeiends te melden. Het leek de zomer van de gender neutrale aanduiding “beste reiziger” te worden. Al snel werd het overstemd door giftige eieren (Waarbij we de VWA verwijten dat we ze niet laten staan). op Social media is het thema “omvolking” min of meer trending. Een uit Nazi Duitsland geleend woord om aan te geven dat de “politieke elite” langzaam maar zeker onze identiteit doet verdwijnen door vervangings immigratie. Los van deze belachelijke complot theorie: Wat is die typisch Nederlandse identiteit dan wel? Mijn buitenlandse vrienden noemen meestal onze vaak als bot en lomp ervaren directheid als kenmerk.

Onze nationale keuken is niet erg bijzonder. Nederlandse delicatessen zoals mosselen, kokkels en kalfsvlees staan in het buitenland hoog aangeschreven. Wij houden het liever bij speklappen, aardappels, patat, frikandellen of -vreemd genoeg- buitenlands geinspireerd voedsel zoals de populaire kapsalon. Lange tijd was “de chinees” -feitelijk een Nederlandse combinatie van de Chinese en Indische keuken- een “exotische” uitspatting.

Zelf vind ik een zoute haring één van de meest typische Nederlandse lekkernijen. Veel jongeren houden er niet van. Overigens wordt Hollandsche nieuwe gevangen en verwerkt in Noorwegen. Maar ik geef toe, het is typisch Nederlands. Aan de huiselijke tafel zie je in tegenstelling tot andere culturen een zekere zuinigheid. Mijn moeder telt de aardappelen naar gelang het aantal eters.

In de hoge cultuur staat ons Concertgebouw Orkest wereldwijd hoog aangeschreven. Met een kwart miljoen bezoekers per jaar een waar visitekaartje voor ons land. Het grootste deel van het repertoire is afkomstig van buitenlandse componisten, de laatste drie dirigenten waren buitenlanders en het orkest zelf is voor 30% van buitenlandse afkomst.

In lage cultuur hebben we natuurlijk voetbal. De Ajax selectie bestaat voor voor 30% uit niet Nederlanders, bij Feyenoord is dit zelfs 45%. In Rotterdam zingt coverkoning en Edison winnaar Lee Towers (mooie Nederlandse naam) zijn “you never walk alone”. Een lied van Gerry and the Pacemakers, dat zijn intrede in het voetbal deed in Liverpool. Als het Nederlands elftal speelt, zingen we “Wij houden van Orange”, een slecht hertaalde versie van het Schotse Auld Lang Syne.

Dat brengt mij bij Nederlandstalige popmuziek. Veel grote Nederlandstalige hits zijn feitelijk hertaalde covers. Wim Sonnevelds oerhollandse klassieker “het dorp” is bijvoorbeeld een hertaling van het Franse “La Montagne”. Hedendaagse Nederlandse pop is geinspireerd op hiphop, soul, jazz, rock, Americana, R&B etc. Ik ken geen Nederlandse muzikanten die de horlepiep tot hun inspiratiebron rekenen. Overigens is de oerhollandse horlepiep een versie van de Schotse hornpipe.

Tot slot onze taal. Naast het Griekse woord ironie en het Germanisme omvolken (umvolkung) bevat het Nederlands volgens Van Dale 28.000 woorden afkomstig uit een ander taal. Anders dan de Vlamingen en Zuid Afrikanen doen wij weinig moeite om nieuwe Nederlandse woorden te bedenken. Zelfs onze kleurrijke schuttingtaal legt het af tegen fuck you.

In het grote complot denken zou je zeggen dat het omvolken al lang bezig is. Ik vind het omgekeerde: de grote uitheemse invloeden in onze cultuur en gewoonten laten juist zien waar wij sterk in zijn: Aanpassen. “Whe’re Dutch, we deal with it”.

Tenzij Baudet en Cliteur elke partij vergadering openen met haring happen en sluiten met horlepiep hossen is hun verhaal niets meer dan ordinaire bangmakerij.

Lieve Anousha

Ik had onlangs het genoegen je te ontmoeten. We spraken over “de kwestie” en je boek. Ik wilde het kopen op schiphol en je waarschuwde mij al. Waarschijnlijk hebben ze het niet want de ketens verkopen het niet. Ondanks de vele positieve en negatieve recencies. Dus zocht ik op Schiphol en zag boeken van verschillende opinie makers, maar die van jou lag er inderdaad niet tussen. Een teken aan de wand. Dus bestelde ik het via bol en heb het direct gelezen. Veel bevestiging van wat ik al wist maar ook veel eyeopeners. Waarvoor dank. Maar ik wil hier niet je boek bespreken.

In ons gesprek spraken we over hoe “zwart” Nederland (ik weet niet of dit een politiek correcte duiding is) zorgvuldig door de media wordt geselecteerd. De welgevalligen en de controversiëlen. De hard core anti zwarte piet activisten krijgen steeds minder ruimte. Sterker nog, ze worden geridiculiseerd. Ik zei dat in DWDD Prem straks overblijft als “excuus-neger”. Je werd erg chagrijnig van dat woord en vermelde terloops dat Prem Hindoestaan is. Ik snap het eerste en weet het tweede. Ik gebruikte het woord zoals ook feministen het woord excuus-truus gebruiken. Of zoals “Kut-Marrokkaan” wordt gebruikt. Ik kon op dat moment zijn rol niet beter duiden. De donkere hofnar van DWDD zou wellicht beter zijn geweest.

Ik schrijf dit terwijl ik in Jakarta ben. Ik heb hier veel gesproken met Indonesiers over ons verleden. Ik heb ook een tentoonstelling gezien die mij veel meer vertelde als wat ik ooit op school heb geleerd en later bijgelezen. Wij hebben een zeer donker verleden wat we maar moeilijk willen erkennen. Of laat ik dubiueus verleden zeggen omdat donker ook een andere connotatie heeft. Overigens zijn de huidskleuren hier van licht getint Aziatisch tot donkerbruin. De laatste zijn Papua’s die je gemakkelijk voor Afrikaans zou kunnen houden. Zoals Prem die ook vrij donker is vaak met het N woord wordt geduid. En hij pretendeerd vaak de stem van “zwart” Nederland te zijn.

De discussie in Nederland gaat tussen witte mensen en de rest. Veel van die witte mensen duiden “de rest” met verschillende voorvoegsels met het N-woord. Ik heb er zelfs mijn kinderen -die in een uitsluitend witte omgeving zijn opgegroeid- wel eens op betrapt. Mijn oude moeder spreekt doorgaans over “zwarten”. Mijn vader had iets meer nuance, hij onderscheidde mensen van Indonesische afkomst met “blauwen”. Overigens beide lieve witte mensen waar ik van houd. Ik hoorde onlangs bij de NOS uitzending van de veteranendag een “deskundig” commentator nog uitleggen wat “de blauwe hap” was. Even denigrerend naar mijn smaak.

Ik heb na ons gesprek veel nagedacht en na enkele uitingen van mijn moeder nog meer. Ik ben van 1959. Zoveel kennis als mijn leeftijdsgenoten in Suriname en de Antillen over Nederland kregen, zo weinig kregen wij over ons koloniale verleden. Wij moesten het doen met een leesboekje met de titel “Dagoe de kleine bosneger” en Kuifje in Afrika. Iets later bleek Pipi Langkous’ vader de koning van Tuka-tuka land was. (Goed te vermelden dat Astrid Lindgren hier later verstandige dingen over heeft gezegd).

Er waren behalve de huisarts, geen donkere mensen in mijn dorp. Deze huisarts was van een moeilijk te duiden Guyaanse afkomst en heel licht van kleur. Er was er in die tijd een bovenmatig aanzien van dat beroep. Dus hij werd zelden als “buitenstaander” gezien. Op de basissschool waren vrij donkere kinderen uit het “Ambonezenkamp”. Die woonden inderdaad op een door de Duitsers achtergelaten kamp, waar de Nederlandse regering dankbaar gebruik van maakte. (Veel witte mensen weten niet dat ook het duistere kamp Westerbork voor dat doel werd gebruikt) werd. De “Ambonezen” of Molukkers werden officieel repatrianten genoemd. Wij leerden er bij weg te blijven want van dat kamp kwam weinig goeds in de ogen van onze ouders. Op latere leeftijd doch steeds nog jong, hoorden en zagen we de Molukse gijzelingen en kapingen. Even daarvoor was in mijn dorp een mislukte bomaanslag van de Palestijse “zwarte september”. Alhoewel we naar mijn herrinering destijds niet zo hysterisch waren, droeg dit bepaald niet bij aan het begrip voor “anderen”. En zelfs in deze tijd schotelt de NPO ons behalve Zwarte Piet nog beschamende interviews voor zoals deze met Chimamanda Adichie. https://www.npo.nl/buitenhof/16-10-2016/VPWON_1250247/POMS_AVRO_5570248

Alhoewel ik een redelijk open mens ben en veel gereisd heb, heeft het mij heel veel jaren gekost om al die aangeleerde vooroordelen en benamingen in een context te zien. Een context van superioriteit en stereotypen. Het probleem van Zwarte Piet ben ik pas een jaar of zes geleden gaan zien toen een hagelwitte Zweedse er mij op wees. Voor die tijd vond ik het een weliswaar domme maar onschuldige traditie.

Het zaad van onbegrip is voor mijn generatie diep in onze zielen gezaaid. De onderwijzers van mijn kinderen zijn mijn generatiegenoten. Tot dat we wat we in mijn kindertijd “vaderlandse geschiedenis” noemden, echte geschiedenis lessen maken in de zin van “de geschiedenis leert ons”, is er een lange weg te gaan. Ik doe mijn best in mijn eigen omgeving en dat levert wel eens vervelende discussies op. Dus laat ik het vaak bij zitten terwijl “donder op naar je eigen land” en erger mij bespaard zal blijven. Daarom bewonder ik je des te meer als een van de wegbereiders van die lange weg. En oh ja: sorry voor dat woord en… witte mensen: wees onbevangen en lees dat boek!

ING, Know Your Customer

Achter deze drie woorden, of liever de afkorting KYC gaat een wereld schuil. Ik sponsor een academicus uit een arm land om een opfris cursus te doen in taal en literatuur in Teheran. Omdat zij in haar schaarse vrije tijd haar talenkennis inzet voor vluchtelingen. Ik maak een bescheiden bedragje over onder vermelding van bijdrage voor trip naar Iran. Zij ontvangt het geld niet. Eerst checkt zij bij haar bank en na onderzoek blijkt is het geld opgehouden in Nederland. Ik neem contact op met ING en zij kunnen mij niet vertellen wat er mis is gegaan. Na de nodige formaliteiten wordt een onderzoek ingesteld. Omdatde tijd dringt maak ik het geld probleemloos over via mijn Zwitserse bank, ik laat de vermelding Iran maar achterwege. Bij thuiskomst ligt er een brief van de afdeling Klant Monitoring Mass van ING. De brief zegt mij dat mijn transactie vanwege de vermelding van “Iran* verdacht is. Alhoewel ik er niet tevoren over had nagedacht: Alle sancties tegen Iran zijn inmiddels opgeheven en in principe kun je gewoon zaken doen in dat land.

De brief zegt mij vervolgens dat ik niet tijdig heb gereageerd op twee e-mail berichten. Dus zoek ik de berichten in mijn e-mail op. De header van de e-mail is Klant Monitoring Mass. Ik had ze aangezien voor spam en daarom niet eerder geopend. Ze vragen om gegevens en bewijsstukken omtrent de transactie.

Ik schrijf een boos bericht, ze hadden immers bijna de hele reis in de soep laten lopen. De kernvragen zijn: waarom gebruikt u zo’n onherkenbaar e-mail adres? Waarom belt u niet gewoon en Wie bent u eigenlijk?

Ik krijg geen antwoord op de vragen maar een mail waarin mij het bewijs van inschrijving voor de cursus wordt gevraagd. Steeds bozer besluit ik nog een e-mail te sturen om mijn verontwaardiging kenbaar te maken en omdat het probleem was opgelost vond ik dat de de zaak was afgedaan.

Deze week las ik dat Thomson Reuters een zeer dubieuze zwarte lijst publiceerd ten behoeve van de financiele wereld. Ik besluit om de zaak te nog eens te overdenken en doe wat internet research. KYC is een systeem gebruikt door banken om verdachte transacties te onderscheppen en zo het risico om betrokken te raken in dubieuze zaken te onderscheppen. Due Dilligence heet dat. Inmiddels worden de KYC klantgegevens via het SWIFT systeem internationaal gedeeld tussen alle grote banken. Het zou maar zo kunnen zijn dat mijn onschuldige transactie die uiteindelijk niet plaatsvond, toch in het systeem terecht komt zonder dat ik het weet.

Ik heb dus toch maar bewijsstukken gestuurd en ING expliciet verboden informatie te delen. Ik denk niet dat ik ooit nog antwoord krijg want uit de correspondentie tot nu blijkt een soort arrogantie die je alleen bij banken tegenkomt.

Als ze denken dat een kleine transactie tussen twee privé personen waarvan één een jaren lange klant van ING is, met een expliciete vermelding van de bestemming een dubieuze transactie is, ben ik bang dat kwaadwillenden dit systeem te slim af zullen zijn. Ik vind het bovendien helemaal geen fijne gedachte dat mijn betalingsgedrag minitieus wordt bekeken.  Vroeger kende de bank je omdat je op hun kantoor kwam. Nu denken ze hun klanten te leren kennen door betalingsgegevens te analyseren. Niet uit interesse voor de klant of maatschappelijke verantwoordelijkheid, maar om reputatie risico’s te minimaliseren.

Jan

 

Onze Jan Lankreijer was manager. Hij was dat bij zijn geliefde gemeente Amsterdam en op vele andere plaatsen. Hij was ook wethouder in Almere. Overal maakte hij vrienden en soms ook vijanden. Het waren vooral de regel fetisjisten die moeite hadden met Jan zijn onnavolgbare flexibiliteit. Maar ik weet zeker dat vriend en vijand het eens zijn dat hij een gave had om de meest ingewikkelde problemen met zijn eigenzinnige logica te simplificeren en op te lossen. Bij Jan waren woorden al snel te veel, hij vatte dingen meestal in een “tegeltje” zoals wij zijn oneliners noemden. Als je hem een lang document stuurde, dan moest je bij hem komen. Dan vroeg hij: “vertel mij nou eens in twee minuten en eenvoudige woorden wat je daar hebt opgeschreven”. En als je dan klaar was dan zei hij: “en waarom heb je het niet zo opgeschreven?”

Jan zou zichzelf nooit een vakbondsman noemen, hij had een uitgesproken hekel aan demonstraties en machtsvertoon. Toch spendeerde hij zo’n 10 jaar van zijn werkzame leven aan de vakbond en bracht veel visie en wijsheid over de organisatorische onvolkomenheden van een min of meer politieke organisatie. In mijn beleving redde hij bondgenoten van een faillisement en AbvaKabo van een moordende interne strijd. Een dwingende kracht op de achtergrond die zijn naaste medewerkers op een schild kon dragen en gelijktijdig ook het bestuur op de goede weg hield. In grote personeelsbijeenkomsten sprak hij vaak behoedzaam en met zachte stem. Dan was het muisstil. Heel soms haalde hij hard uit. Maar altijd met een gezag waar weinig mensen aan konden of durfden te tornen.

De geschiedenisboeken van de vakbond staan bol van grote leiders. Grote leiders kunnen alleen bestaan bij de gratie van mensen zoals Jan. Die achter de schermen problemen oplossen en conflicten bezweren. Jan kon dat als geen ander. Voor mij was hij een grote leermeester, bijna een vader, zeker een vriend en een groot vakbondsman die beter begreep wat er gaande was dan menig doorwinterde collega. Ik kon niet op zijn afscheid zijn, maar ik geef hem graag de eer die hij verdiende. Ik werkte ruim drie jaar in zijn beschermende schaduw en ging van die man houden. Vaarwel lieve Jan.

Als het zo eenvoudig was, dan hadden wij het al gedaan.

Raoul Leering (adviseur bij ING) shreef deze week een stuk in de volkskrant over hoe de vakbond weer populair kan worden. In dit interessante stuk pleit hij onder meer voor de afschaffing van de wetten op CAO en AVV zodat niet leden niet langer kostenloos mee kunnen genieten van de door vakbonden bereikte verbeteringen. Hij had hier wat mij betreft wel wat dieper op door mogen gaan want ik vind het al veel langer een interessante gedachte.

De wet op CAO regelt de bevoegdheden met betrekking tot CAO onderhandelingen. Wie mag een CAO afsluiten en hoe gaat dat in zijn werk. Het lijkt mij wel handig dat er een wettelijke basis voor het afsluiten van CAO’s blijft bestaan. Deze wet verscheen voor het eerst in 1927. Het duurde 10 jaar voordat een ander probleem wettelijk werd afgedicht met de wet op AVV. Als vakbonden een CAO afsloten met een werkgevers organisatie was deze van toepassing op alle werknemers in de bedrijven vertegenwoordigd door de desbetreffende werkgeversorganisatie. Doordat de CAO niet van toepassing was op niet aangesloten werkgevers in dezelfde sector, ontstond feitelijk oneerlijke concurrentie tussen georganiseerde en ongeorganiseerde werkgevers.

Vanuit vakbondsoogpunt wellicht helemaal niet zo beroerd, een extra incentive voor werknemers in ongeorganiseerde bedrijven om lid te worden en de werkgever te dwingen de CAO toe te passen. Blijft echter het probleem bestaan dat zodra de vakbond in de buurt kritische massa zit, de druk van zowel de nieuwe leden als van de werkgever om een CAO af te sluiten toeneemt. De leden willen waar voor hun geld en de werkgever sluit liever een deal voordat de vakbond te sterk wordt. En de ongeorganiseerde werknemers in dat bedrijf liften dan weer gratis mee.

Stel: we maken de CAO een zuivere privaat rechterlijke overeenkomst die alleen van toepassing is op leden. Wat zou er dan kunnen gebeuren?

Werkgevers hebben een groot belang om geen onderscheid te maken tussen leden en niet leden. Ze willen hun mensen nu eenmaal niet in de armen van de vakbond drijven. Dus bij een CAO op enkel bedrijfsniveau zal de slimme werkgever deze altijd op iedereen toepassen.

Bij een bedrijfstak CAO is de tegenpartij een werkgeversvereniging. Als duidelijk wordt dat de bedrijfsvoering aanmerkelijk duurder is omdat een als lid van die vereniging een CAO moet toepassen die niet leden niet hoeven toe te passen, valt een groot deel van het bestaansrecht van die werkgeversvereniging weg. Nu zijn er wel werkgeversverenigingen waar ik weinig mee heb, maar om een CAO af te sluiten is een relevante tegenpartij onontbeerlijk.

Als je het systeem eerlijker wilt maken kun je pas de wettelijke basis veranderen als je voldoende organisatiegraad hebt om vast te houden wat je hebt en verbeteringen af te dwingen waar nodig. En het systeem houd de lage organisatiegraad in stand. Een catch 22.

Daarom pleit ik al jaren om eerst maar eens die ongeorganiseerde werknemer aan te spreken. Daar zijn er 6 miljoen van en dat zijn echt niet allemaal klaplopers. Sterker nog: de vraag waarom ze geen lid zijn wordt vaak beantwoord met : niemand heeft mij ooit gevraagd. En als we toch met ze spreken, laten we dan ook gelijk afspreken dat we pas gaan onderhandelen over een CAO als er voldoende kritische massa is. Of we daarmee ooit voldoende positie bereiken om te wettelijke basis bij grof vuil te zetten betwijfel ik. Maar als we niet in staat blijken om tenminste 1 miljoen uit die 6 miljoen ongeorganiseerden te begeesteren, hebben wij misschien ons bestaansrecht ook verloren.

En als we wat willen veranderen dan zou ik eerst het stakingsrecht zoals in de meeste fatsoenlijke landen in een wet vastleggen en weghalen bij de grillige interpretaties van rechters.