Übernazi’s

Ik weet niet zo goed waar ik beginnen moet maar ik heb grote zorgen om Nederland en de rest van de wereld. Ik werk voor een grote wereld federatie van vakbonden. In duistere kringen zal het worden gezien als het links fascistische bijkantoor, zo niet het hoofdkwartier van het grote complot. Het grote complot dat door de Noorse terrorist Anders Breivik werd geherintroduceerd, het zogenaamde cultureel marxisme.

Het cultureel Marxisme is een rechts extremistische duiding van de vijand van het volk. In de warboel van opvattingen binnen de rechts extremisten valt een constante te ontdekken: het complot. Feministen hebben de westerse samenleving ondermijnd en de mannen verzwakt. Zwarte mensen (die minder intelligent zijn) verzilveren het schuldcomplex dat zij ons hebben aangepraat. Joden hebben onze financiele wereld overgenomen en ons geld gestolen. Homo’s hebben onze Joods Christelijke traditie ondermijnd. Daarmee is onze samenleving zo verzwakt dat moslims de macht zullen overnemen de mannen zullen onderwerpen zo niet vermoorden om uiteindelijk onze vrouwen te kunnen verkrachten. Dat alles is toegedekt door linkse fascisten en de EU. Alle instanties zoals statistiekbureaus, de media, de rechtspraak, de politie, de politiek en vooral de EU hebben daar aan meegewerkt omdat zij de regisseurs zijn van de vervangingsideologie. Wij, witte mensen moeten worden vervangen door moslim vluchtelingen.

Uit dit pallet van complot theorieën pakken de rechts extremisten naar behoeven de meest passende en strooien die rond. En steeds meer mensen twijfelen bij elk bericht wat ze horen of half begrijpen en plaatsen het in deze repeterende retoriek van twijfel en achterdocht. Onwelgevallige feiten worden meningen of nepnieuws en welgevallige meningen worden feiten.

De pijnlijke werkelijkheid is dat Breivik (fan van Geert Wilders) gelijk had dat hij onderdeel was van een grote beweging. Een beweging die uit hetzelfde vaatje tapt als Breivik: Het is de schuld van…(invullen naar keuze). Feitelijk zijn de fanatieke predikers van FVD en PVV mainstreamers van het gedachtengoed van Breivik. Het zijn geen crypto of neo-nazi’s, het zijn übernazi’s die hun misselijkmakende boodschappen verhullend verpakken. De holle populistische retoriek die hier bij hoort gaat de hele wereld over. Van Washington tot Pyongyang, van Moskou tot Manilla. Maar als Nederlander en Europeaan is het pijnlijk te zien dat op een continent waar niet zo lang geleden op een zelfde soort redenering 6 miljoen mensen zijn vermoord het bijna normaal is geworden om te zondebokken met diep denigrerende termen. Maar ook daar hebben ze een antwoord op, die 6 miljoen doden zijn verzonnen.

Heitje voor een karweitje, mag ik een pizza bezorgen?

Gig economy, achter de façade van dit hippe woord gaat een weerbarstige werkelijkheid schuil. ‘Heitje-voor-een-karweitje-economie’ dekt de lading veel beter.

De deurbel ging. Er stonden twee kinderen in padvindersuniform op de stoep. Ze wilden een klusje voor je doen. Dat koste een “heitje”. Vijf stuivers dus een kwartje: “Heitje voor een karweitje”. Zo leerden de kinderen in noden te voorzien en werd de clubkas gespekt. De beste padvinders konden een extra isigne op hun mouw spelden.

Vandaag de dag is bijna hetzelfde verdienmodel doorontwikkeld naar internetplatforms en algoritmes. Jij hebt trek, een restaurant heeft een afhaalmenu, het platform brengt vraag en aanbod bij elkaar en regelt een fietskoerier. Die fietskoerier is de padvinder, de clubkas een groot internet bedrijf. Dat lijkt een niche in de economie. Maar Amazon, Bol, Expedia, Bax, en nog vele anderen werken volgens hetzelfde principe. Overal zit ergens in de keten een soort padvinder die zo hard mogelijk moet fietsen om een onderscheidingsteken te verdienen. Het wordt zo georganiseerd dat de zwaksten het meeste risico dragen en de top van de piramide alleen incasseert.

In de bouw is een traditionele aannemer al lang geleden veranderd in een coördinatieplatform van onderaannemers en zzp-ers. Het enige nieuwe is de tussenkomst van internet platforms en algoritmes.

De kern van het verdienmodel is gelijk: maak zoveel mogelijk direct personeel aannemer of zzp-er waardoor je risico’s en lasten afschuift. Daarmee gaan de totale premieopbrengsten omlaag en wordt ons hele collectieve systeem ondermijnd.

Dat is niet het enige nadeel. Bedrijven schermen met het idee dat jonge mensen best het ondernemersrisico willen aangaan. Maar ondernemersrisico is een risico dat je moet calculeren in je prijs. Tegen welke prijs kun je diensten leveren waarbij je de risico’s zo klein mogelijk wilt houden en ook je “niet declarabele kosten” kunt dekken? Dat doe je met voorzieningen in je prijsstelling. Tot slot kom je de prijs in onderhandelingen overeen.

Een Deliveroo bezorger krijgt 4,75 euro per bezorging. Bij een gemiddelde van 3 bezorgingen per uur is dat van omzet 14,25 Euro per declarabel uur. Al is de vraag of ze 3 opdrachten per uur überhaupt kunnen halen. Los van het feit dat keihard racen door de stad gevaarlijke verkeerssituaties oplevert; zowel voor de koerier als de andere weggebruikers.

Van dit tarief moet je het volgende betalen:

-Inkomstenbelasting
-BTW
-Arbeidsongeschiktheidsverzekering
-Ongevallen verzekering
-pensioenvoorziening
-Administratie
-Afschrijving en onderhoud fiets
-Smartphone contract
-registratiekosten

Pas dan weet je dat je voor een schijntje fietst en daar ook nog vakantie en dergelijke van moet betalen. Want niet fietsen is geen geld.

Deliveroo krijgt een minimum van 6,50 per order van de restaurateur en de klant samen. Dat lijkt een schamel bedrag, maar buiten de fietsers zijn er nauwelijks kosten. In 2015 trapten zo’n 25,000 bezorgers 24 miljoen winst in de pocket van de eigenaren. En dat was vanwege investeringen een slecht jaar.

Wat wordt geduid met gig- of platform-economie is feitelijk een systeem waar de prijs vaststaat en degenen met de zwakste onderhandelingspositie de meeste winst genereren. En denk nou niet dat het alleen jonge avontuurlijke fietskoeriers zijn. Professionals in de zorg worden op een zelfde manier behandeld door verzekeraars. En het woekert verder door in de economie tot we allemaal padvinders zijn geworden die voor een heitje een karweitje mogen doen.

De valse hoeders van de horlepiep

“De Nederlandse cultuur bestaat niet” is de enige quote van onze Argentijnse Koningin die stof deed opwaaien. Ze had echter een punt. Toch er is er een heuse stroming in Nederland die meent dat onze unieke cultuur en identiteit wordt bedreigd. Biologisch verdunde Fransman Baudet sprak van homeopatische verdunning van het Nederlandse volk. Zijn eveneens verdunde maatje Cliteur wilde zelfs het relativeren van de Nederlandse cultuur strafbaar stellen. Nadat Baudet het op twitter bijna als partij manifest had verheven, beriep Cliteur zich op ironie (een van oorsprong Grieks woord voor het Nederlandse schimp redeneren). Als je geen van Rossum heet kun je deze stijlfiguur beter mijden. Het gekkenhuis zit vol met onbegrepen genieën. Maar goed, genoeg over Kuifje en professor Zonnebloem.

Het is komkommer tijd. De nieuwsfabriek draait op tweets van Trump en heeft verder weinig boeiends te melden. Het leek de zomer van de gender neutrale aanduiding “beste reiziger” te worden. Al snel werd het overstemd door giftige eieren (Waarbij we de VWA verwijten dat we ze niet laten staan). op Social media is het thema “omvolking” min of meer trending. Een uit Nazi Duitsland geleend woord om aan te geven dat de “politieke elite” langzaam maar zeker onze identiteit doet verdwijnen door vervangings immigratie. Los van deze belachelijke complot theorie: Wat is die typisch Nederlandse identiteit dan wel? Mijn buitenlandse vrienden noemen meestal onze vaak als bot en lomp ervaren directheid als kenmerk.

Onze nationale keuken is niet erg bijzonder. Nederlandse delicatessen zoals mosselen, kokkels en kalfsvlees staan in het buitenland hoog aangeschreven. Wij houden het liever bij speklappen, aardappels, patat, frikandellen of -vreemd genoeg- buitenlands geinspireerd voedsel zoals de populaire kapsalon. Lange tijd was “de chinees” -feitelijk een Nederlandse combinatie van de Chinese en Indische keuken- een “exotische” uitspatting.

Zelf vind ik een zoute haring één van de meest typische Nederlandse lekkernijen. Veel jongeren houden er niet van. Overigens wordt Hollandsche nieuwe gevangen en verwerkt in Noorwegen. Maar ik geef toe, het is typisch Nederlands. Aan de huiselijke tafel zie je in tegenstelling tot andere culturen een zekere zuinigheid. Mijn moeder telt de aardappelen naar gelang het aantal eters.

In de hoge cultuur staat ons Concertgebouw Orkest wereldwijd hoog aangeschreven. Met een kwart miljoen bezoekers per jaar een waar visitekaartje voor ons land. Het grootste deel van het repertoire is afkomstig van buitenlandse componisten, de laatste drie dirigenten waren buitenlanders en het orkest zelf is voor 30% van buitenlandse afkomst.

In lage cultuur hebben we natuurlijk voetbal. De Ajax selectie bestaat voor voor 30% uit niet Nederlanders, bij Feyenoord is dit zelfs 45%. In Rotterdam zingt coverkoning en Edison winnaar Lee Towers (mooie Nederlandse naam) zijn “you never walk alone”. Een lied van Gerry and the Pacemakers, dat zijn intrede in het voetbal deed in Liverpool. Als het Nederlands elftal speelt, zingen we “Wij houden van Orange”, een slecht hertaalde versie van het Schotse Auld Lang Syne.

Dat brengt mij bij Nederlandstalige popmuziek. Veel grote Nederlandstalige hits zijn feitelijk hertaalde covers. Wim Sonnevelds oerhollandse klassieker “het dorp” is bijvoorbeeld een hertaling van het Franse “La Montagne”. Hedendaagse Nederlandse pop is geinspireerd op hiphop, soul, jazz, rock, Americana, R&B etc. Ik ken geen Nederlandse muzikanten die de horlepiep tot hun inspiratiebron rekenen. Overigens is de oerhollandse horlepiep een versie van de Schotse hornpipe.

Tot slot onze taal. Naast het Griekse woord ironie en het Germanisme omvolken (umvolkung) bevat het Nederlands volgens Van Dale 28.000 woorden afkomstig uit een ander taal. Anders dan de Vlamingen en Zuid Afrikanen doen wij weinig moeite om nieuwe Nederlandse woorden te bedenken. Zelfs onze kleurrijke schuttingtaal legt het af tegen fuck you.

In het grote complot denken zou je zeggen dat het omvolken al lang bezig is. Ik vind het omgekeerde: de grote uitheemse invloeden in onze cultuur en gewoonten laten juist zien waar wij sterk in zijn: Aanpassen. “Whe’re Dutch, we deal with it”.

Tenzij Baudet en Cliteur elke partij vergadering openen met haring happen en sluiten met horlepiep hossen is hun verhaal niets meer dan ordinaire bangmakerij.

Lieve Anousha

Ik had onlangs het genoegen je te ontmoeten. We spraken over “de kwestie” en je boek. Ik wilde het kopen op schiphol en je waarschuwde mij al. Waarschijnlijk hebben ze het niet want de ketens verkopen het niet. Ondanks de vele positieve en negatieve recencies. Dus zocht ik op Schiphol en zag boeken van verschillende opinie makers, maar die van jou lag er inderdaad niet tussen. Een teken aan de wand. Dus bestelde ik het via bol en heb het direct gelezen. Veel bevestiging van wat ik al wist maar ook veel eyeopeners. Waarvoor dank. Maar ik wil hier niet je boek bespreken.

In ons gesprek spraken we over hoe “zwart” Nederland (ik weet niet of dit een politiek correcte duiding is) zorgvuldig door de media wordt geselecteerd. De welgevalligen en de controversiëlen. De hard core anti zwarte piet activisten krijgen steeds minder ruimte. Sterker nog, ze worden geridiculiseerd. Ik zei dat in DWDD Prem straks overblijft als “excuus-neger”. Je werd erg chagrijnig van dat woord en vermelde terloops dat Prem Hindoestaan is. Ik snap het eerste en weet het tweede. Ik gebruikte het woord zoals ook feministen het woord excuus-truus gebruiken. Of zoals “Kut-Marrokkaan” wordt gebruikt. Ik kon op dat moment zijn rol niet beter duiden. De donkere hofnar van DWDD zou wellicht beter zijn geweest.

Ik schrijf dit terwijl ik in Jakarta ben. Ik heb hier veel gesproken met Indonesiers over ons verleden. Ik heb ook een tentoonstelling gezien die mij veel meer vertelde als wat ik ooit op school heb geleerd en later bijgelezen. Wij hebben een zeer donker verleden wat we maar moeilijk willen erkennen. Of laat ik dubiueus verleden zeggen omdat donker ook een andere connotatie heeft. Overigens zijn de huidskleuren hier van licht getint Aziatisch tot donkerbruin. De laatste zijn Papua’s die je gemakkelijk voor Afrikaans zou kunnen houden. Zoals Prem die ook vrij donker is vaak met het N woord wordt geduid. En hij pretendeerd vaak de stem van “zwart” Nederland te zijn.

De discussie in Nederland gaat tussen witte mensen en de rest. Veel van die witte mensen duiden “de rest” met verschillende voorvoegsels met het N-woord. Ik heb er zelfs mijn kinderen -die in een uitsluitend witte omgeving zijn opgegroeid- wel eens op betrapt. Mijn oude moeder spreekt doorgaans over “zwarten”. Mijn vader had iets meer nuance, hij onderscheidde mensen van Indonesische afkomst met “blauwen”. Overigens beide lieve witte mensen waar ik van houd. Ik hoorde onlangs bij de NOS uitzending van de veteranendag een “deskundig” commentator nog uitleggen wat “de blauwe hap” was. Even denigrerend naar mijn smaak.

Ik heb na ons gesprek veel nagedacht en na enkele uitingen van mijn moeder nog meer. Ik ben van 1959. Zoveel kennis als mijn leeftijdsgenoten in Suriname en de Antillen over Nederland kregen, zo weinig kregen wij over ons koloniale verleden. Wij moesten het doen met een leesboekje met de titel “Dagoe de kleine bosneger” en Kuifje in Afrika. Iets later bleek Pipi Langkous’ vader de koning van Tuka-tuka land was. (Goed te vermelden dat Astrid Lindgren hier later verstandige dingen over heeft gezegd).

Er waren behalve de huisarts, geen donkere mensen in mijn dorp. Deze huisarts was van een moeilijk te duiden Guyaanse afkomst en heel licht van kleur. Er was er in die tijd een bovenmatig aanzien van dat beroep. Dus hij werd zelden als “buitenstaander” gezien. Op de basissschool waren vrij donkere kinderen uit het “Ambonezenkamp”. Die woonden inderdaad op een door de Duitsers achtergelaten kamp, waar de Nederlandse regering dankbaar gebruik van maakte. (Veel witte mensen weten niet dat ook het duistere kamp Westerbork voor dat doel werd gebruikt) werd. De “Ambonezen” of Molukkers werden officieel repatrianten genoemd. Wij leerden er bij weg te blijven want van dat kamp kwam weinig goeds in de ogen van onze ouders. Op latere leeftijd doch steeds nog jong, hoorden en zagen we de Molukse gijzelingen en kapingen. Even daarvoor was in mijn dorp een mislukte bomaanslag van de Palestijse “zwarte september”. Alhoewel we naar mijn herrinering destijds niet zo hysterisch waren, droeg dit bepaald niet bij aan het begrip voor “anderen”. En zelfs in deze tijd schotelt de NPO ons behalve Zwarte Piet nog beschamende interviews voor zoals deze met Chimamanda Adichie. https://www.npo.nl/buitenhof/16-10-2016/VPWON_1250247/POMS_AVRO_5570248

Alhoewel ik een redelijk open mens ben en veel gereisd heb, heeft het mij heel veel jaren gekost om al die aangeleerde vooroordelen en benamingen in een context te zien. Een context van superioriteit en stereotypen. Het probleem van Zwarte Piet ben ik pas een jaar of zes geleden gaan zien toen een hagelwitte Zweedse er mij op wees. Voor die tijd vond ik het een weliswaar domme maar onschuldige traditie.

Het zaad van onbegrip is voor mijn generatie diep in onze zielen gezaaid. De onderwijzers van mijn kinderen zijn mijn generatiegenoten. Tot dat we wat we in mijn kindertijd “vaderlandse geschiedenis” noemden, echte geschiedenis lessen maken in de zin van “de geschiedenis leert ons”, is er een lange weg te gaan. Ik doe mijn best in mijn eigen omgeving en dat levert wel eens vervelende discussies op. Dus laat ik het vaak bij zitten terwijl “donder op naar je eigen land” en erger mij bespaard zal blijven. Daarom bewonder ik je des te meer als een van de wegbereiders van die lange weg. En oh ja: sorry voor dat woord en… witte mensen: wees onbevangen en lees dat boek!

ING, Know Your Customer

Achter deze drie woorden, of liever de afkorting KYC gaat een wereld schuil. Ik sponsor een academicus uit een arm land om een opfris cursus te doen in taal en literatuur in Teheran. Omdat zij in haar schaarse vrije tijd haar talenkennis inzet voor vluchtelingen. Ik maak een bescheiden bedragje over onder vermelding van bijdrage voor trip naar Iran. Zij ontvangt het geld niet. Eerst checkt zij bij haar bank en na onderzoek blijkt is het geld opgehouden in Nederland. Ik neem contact op met ING en zij kunnen mij niet vertellen wat er mis is gegaan. Na de nodige formaliteiten wordt een onderzoek ingesteld. Omdatde tijd dringt maak ik het geld probleemloos over via mijn Zwitserse bank, ik laat de vermelding Iran maar achterwege. Bij thuiskomst ligt er een brief van de afdeling Klant Monitoring Mass van ING. De brief zegt mij dat mijn transactie vanwege de vermelding van “Iran* verdacht is. Alhoewel ik er niet tevoren over had nagedacht: Alle sancties tegen Iran zijn inmiddels opgeheven en in principe kun je gewoon zaken doen in dat land.

De brief zegt mij vervolgens dat ik niet tijdig heb gereageerd op twee e-mail berichten. Dus zoek ik de berichten in mijn e-mail op. De header van de e-mail is Klant Monitoring Mass. Ik had ze aangezien voor spam en daarom niet eerder geopend. Ze vragen om gegevens en bewijsstukken omtrent de transactie.

Ik schrijf een boos bericht, ze hadden immers bijna de hele reis in de soep laten lopen. De kernvragen zijn: waarom gebruikt u zo’n onherkenbaar e-mail adres? Waarom belt u niet gewoon en Wie bent u eigenlijk?

Ik krijg geen antwoord op de vragen maar een mail waarin mij het bewijs van inschrijving voor de cursus wordt gevraagd. Steeds bozer besluit ik nog een e-mail te sturen om mijn verontwaardiging kenbaar te maken en omdat het probleem was opgelost vond ik dat de de zaak was afgedaan.

Deze week las ik dat Thomson Reuters een zeer dubieuze zwarte lijst publiceerd ten behoeve van de financiele wereld. Ik besluit om de zaak te nog eens te overdenken en doe wat internet research. KYC is een systeem gebruikt door banken om verdachte transacties te onderscheppen en zo het risico om betrokken te raken in dubieuze zaken te onderscheppen. Due Dilligence heet dat. Inmiddels worden de KYC klantgegevens via het SWIFT systeem internationaal gedeeld tussen alle grote banken. Het zou maar zo kunnen zijn dat mijn onschuldige transactie die uiteindelijk niet plaatsvond, toch in het systeem terecht komt zonder dat ik het weet.

Ik heb dus toch maar bewijsstukken gestuurd en ING expliciet verboden informatie te delen. Ik denk niet dat ik ooit nog antwoord krijg want uit de correspondentie tot nu blijkt een soort arrogantie die je alleen bij banken tegenkomt.

Als ze denken dat een kleine transactie tussen twee privé personen waarvan één een jaren lange klant van ING is, met een expliciete vermelding van de bestemming een dubieuze transactie is, ben ik bang dat kwaadwillenden dit systeem te slim af zullen zijn. Ik vind het bovendien helemaal geen fijne gedachte dat mijn betalingsgedrag minitieus wordt bekeken.  Vroeger kende de bank je omdat je op hun kantoor kwam. Nu denken ze hun klanten te leren kennen door betalingsgegevens te analyseren. Niet uit interesse voor de klant of maatschappelijke verantwoordelijkheid, maar om reputatie risico’s te minimaliseren.

Jan

 

Onze Jan Lankreijer was manager. Hij was dat bij zijn geliefde gemeente Amsterdam en op vele andere plaatsen. Hij was ook wethouder in Almere. Overal maakte hij vrienden en soms ook vijanden. Het waren vooral de regel fetisjisten die moeite hadden met Jan zijn onnavolgbare flexibiliteit. Maar ik weet zeker dat vriend en vijand het eens zijn dat hij een gave had om de meest ingewikkelde problemen met zijn eigenzinnige logica te simplificeren en op te lossen. Bij Jan waren woorden al snel te veel, hij vatte dingen meestal in een “tegeltje” zoals wij zijn oneliners noemden. Als je hem een lang document stuurde, dan moest je bij hem komen. Dan vroeg hij: “vertel mij nou eens in twee minuten en eenvoudige woorden wat je daar hebt opgeschreven”. En als je dan klaar was dan zei hij: “en waarom heb je het niet zo opgeschreven?”

Jan zou zichzelf nooit een vakbondsman noemen, hij had een uitgesproken hekel aan demonstraties en machtsvertoon. Toch spendeerde hij zo’n 10 jaar van zijn werkzame leven aan de vakbond en bracht veel visie en wijsheid over de organisatorische onvolkomenheden van een min of meer politieke organisatie. In mijn beleving redde hij bondgenoten van een faillisement en AbvaKabo van een moordende interne strijd. Een dwingende kracht op de achtergrond die zijn naaste medewerkers op een schild kon dragen en gelijktijdig ook het bestuur op de goede weg hield. In grote personeelsbijeenkomsten sprak hij vaak behoedzaam en met zachte stem. Dan was het muisstil. Heel soms haalde hij hard uit. Maar altijd met een gezag waar weinig mensen aan konden of durfden te tornen.

De geschiedenisboeken van de vakbond staan bol van grote leiders. Grote leiders kunnen alleen bestaan bij de gratie van mensen zoals Jan. Die achter de schermen problemen oplossen en conflicten bezweren. Jan kon dat als geen ander. Voor mij was hij een grote leermeester, bijna een vader, zeker een vriend en een groot vakbondsman die beter begreep wat er gaande was dan menig doorwinterde collega. Ik kon niet op zijn afscheid zijn, maar ik geef hem graag de eer die hij verdiende. Ik werkte ruim drie jaar in zijn beschermende schaduw en ging van die man houden. Vaarwel lieve Jan.

Als het zo eenvoudig was, dan hadden wij het al gedaan.

Raoul Leering (adviseur bij ING) shreef deze week een stuk in de volkskrant over hoe de vakbond weer populair kan worden. In dit interessante stuk pleit hij onder meer voor de afschaffing van de wetten op CAO en AVV zodat niet leden niet langer kostenloos mee kunnen genieten van de door vakbonden bereikte verbeteringen. Hij had hier wat mij betreft wel wat dieper op door mogen gaan want ik vind het al veel langer een interessante gedachte.

De wet op CAO regelt de bevoegdheden met betrekking tot CAO onderhandelingen. Wie mag een CAO afsluiten en hoe gaat dat in zijn werk. Het lijkt mij wel handig dat er een wettelijke basis voor het afsluiten van CAO’s blijft bestaan. Deze wet verscheen voor het eerst in 1927. Het duurde 10 jaar voordat een ander probleem wettelijk werd afgedicht met de wet op AVV. Als vakbonden een CAO afsloten met een werkgevers organisatie was deze van toepassing op alle werknemers in de bedrijven vertegenwoordigd door de desbetreffende werkgeversorganisatie. Doordat de CAO niet van toepassing was op niet aangesloten werkgevers in dezelfde sector, ontstond feitelijk oneerlijke concurrentie tussen georganiseerde en ongeorganiseerde werkgevers.

Vanuit vakbondsoogpunt wellicht helemaal niet zo beroerd, een extra incentive voor werknemers in ongeorganiseerde bedrijven om lid te worden en de werkgever te dwingen de CAO toe te passen. Blijft echter het probleem bestaan dat zodra de vakbond in de buurt kritische massa zit, de druk van zowel de nieuwe leden als van de werkgever om een CAO af te sluiten toeneemt. De leden willen waar voor hun geld en de werkgever sluit liever een deal voordat de vakbond te sterk wordt. En de ongeorganiseerde werknemers in dat bedrijf liften dan weer gratis mee.

Stel: we maken de CAO een zuivere privaat rechterlijke overeenkomst die alleen van toepassing is op leden. Wat zou er dan kunnen gebeuren?

Werkgevers hebben een groot belang om geen onderscheid te maken tussen leden en niet leden. Ze willen hun mensen nu eenmaal niet in de armen van de vakbond drijven. Dus bij een CAO op enkel bedrijfsniveau zal de slimme werkgever deze altijd op iedereen toepassen.

Bij een bedrijfstak CAO is de tegenpartij een werkgeversvereniging. Als duidelijk wordt dat de bedrijfsvoering aanmerkelijk duurder is omdat een als lid van die vereniging een CAO moet toepassen die niet leden niet hoeven toe te passen, valt een groot deel van het bestaansrecht van die werkgeversvereniging weg. Nu zijn er wel werkgeversverenigingen waar ik weinig mee heb, maar om een CAO af te sluiten is een relevante tegenpartij onontbeerlijk.

Als je het systeem eerlijker wilt maken kun je pas de wettelijke basis veranderen als je voldoende organisatiegraad hebt om vast te houden wat je hebt en verbeteringen af te dwingen waar nodig. En het systeem houd de lage organisatiegraad in stand. Een catch 22.

Daarom pleit ik al jaren om eerst maar eens die ongeorganiseerde werknemer aan te spreken. Daar zijn er 6 miljoen van en dat zijn echt niet allemaal klaplopers. Sterker nog: de vraag waarom ze geen lid zijn wordt vaak beantwoord met : niemand heeft mij ooit gevraagd. En als we toch met ze spreken, laten we dan ook gelijk afspreken dat we pas gaan onderhandelen over een CAO als er voldoende kritische massa is. Of we daarmee ooit voldoende positie bereiken om te wettelijke basis bij grof vuil te zetten betwijfel ik. Maar als we niet in staat blijken om tenminste 1 miljoen uit die 6 miljoen ongeorganiseerden te begeesteren, hebben wij misschien ons bestaansrecht ook verloren.

En als we wat willen veranderen dan zou ik eerst het stakingsrecht zoals in de meeste fatsoenlijke landen in een wet vastleggen en weghalen bij de grillige interpretaties van rechters.

De nieuwe kiloknaller van Jumbo

 

Jumbo staat al tijden onder druk vanwege dieronvriendelijke kiloknallers. Door acties van wakker dier veranderde langzaam de publieke opinie en uiteindelijk ook het koopgedrag van consumenten. Hierdoor moest Jumbo het assortiment aanpassen. Ze zijn nu eenmaal gevoeliger voor verkoopcijfers dan voor acties. Dat blijkt ook wel uit de reactie van Jumbo op acties van de bonden. Als het geen impact heeft op de verkoop dan nemen ze de imagoschade voor lief. Jumbo heeft gekozen voor wat bij Een Vandaag de alternatieve route wordt genoemd. Een route waarbij de arbeidsvoorwaarden niet meer worden onderhandeld door onafhankelijke partijen, maar in huis. De OR wordt daarbij feitelijk ingezet als gele vakbond. Volgens Martin Visser zijn er inmiddels 135 werkgevers die die alternatieve route volgen. Het is volgens hem een nagel in de doodskist van de vakbeweging. Want de bonden hebben te weinig actiekracht om een positie af te dwingen.

Voor mij is de grote vraag of niet het omgekeerde het geval is. De bonden leunen sterk op traditionele sectoren waar de bulk van de leden zitten. Veel van die sectoren fragmenteren en krimpen waardoor die oude vakbondsbastions aan betekenis verliezen. Omdat daar (te) weinig gebeurt zitten werkgevers in sectoren met een lage organisatiegraad bepaald niet te bibberen op hun stoel als de FNV iets roept. Met als gevolg dat bonden zich konden laten uitspelen en uiteindelijk vaak bij het kruisje moesten tekenen om eventuele schade te beperken.

Sinds de acties van de schoonmakers is daar verandering in gekomen. Zij hebben Nederland laten zien dat er wel degelijk wat te winnen valt. Die gedachte breidt zich langzaam uit naar andere sectoren. Er zijn de laatste jaren succesvolle acties gevoerd op plaatsen waar dat niet tot nauwelijks eerder gebeurde. Niet alleen schoonmakers maar ook jongeren zijn succesvol georganiseerd. Bij IKEA is onlangs de hegemonie van de door IKEA zelf opgerichte vakbond WIM doorbroken. Dat zijn geen stuiptrekkingen van een stervende organisatie, maar juist de eerste adem van een nieuwe organisatie. Een organisatie die niet langer tekent bij het kruisje maar probeert kracht te ontwikkelen en te groeien. Daarbij worden risico’s die eerder werden vermeden nu ten volle genomen. Dus ja, dat gaat ook wel eens mis. Maar wie het risico van verlies niet durft te nemen wordt nooit een winnaar.

Het is moeilijk om succesvolle acties te organiseren als de werkgevers kunnen vluchten naar de rechter. Omdat Nederland geen stakingsrecht kent gokken werkgevers op een werkgeversvriendelijke rechter en komen er soms mee weg, zoals bij KLM. Doorgaans geframed als “werkgever sleept bonden voor de rechter”. In werkelijkheid slepen ze hun eigen personeel voor de rechter. Dat lukte Jumbo niet. Al hun Eisen werden afgewezen.

Dus vluchten ze naar een ander scenario. Het personeelsbestand bestaat een handjevol vaste krachten, veel tijdelijke contracten en bakken vol (Poolse) uitzendkrachten. Een systeem dat wordt gedreven door de angst om je werk te verliezen. Alleen moedige mensen durven de strijd aan te gaan. Omdat ze een minderheid zijn kan Jumbo ze de rug toe keren, hekken plaatsen zodat ze hun collega’s niet kunnen beïnvloeden.  De OR inzetten als stakingsbreker.

Het recht om je door een onafhankelijke vakbond te laten vertegenwoordigen is een mensenrecht. Vrije onderhandelingen, actievoeren en staken ook.  Daarom dienen consumenten zich minstens net zo druk te maken om werknemers rechten als om dierenrechten. Steun de stakers en koop geen menselijke “kiloknallers”

Strong women on the garbage dump

Today With the courtesy of my friend Marcus Derland, a great story that needs to be told and spread

19 april, 2016

Six days a week, all year round. Indian women are dealing with wild dogs, poisonous garbage and a repugnant stench in their workplace. But they like it, because they are organised and have taken control over their own lives.

Manali Shah, president of Sewa.
Sewa, Self Employed Women’s Association was formed in 1972 in Ahmedabad, northwest India. Only poor women working in the informal sector are welcome as members. They can be anything from garbage pickers or helpers at building sites, to sellers in markets.
Sewa is organising 1.4 million members in half of Indias states. More than 700,000 members are in the state of Gujarat where the multi-million city Ahmedabad is situated. The head quarter is also in Ahmedabad.
Sewa is supported by the two Swedish unions Unionen and IF Metall. Unionen is managing the project which is financed with money from Union to Union The Swedish unions are helping Sewa to build a centre for competence development and also with strategies on how to organise new members. There will also be an exchange of female union leaders between Sweden and India.
“We came into contact with Sewa through another project in India. Sewa is working just as a proper union should be working. It doesn’t mix religion or politics into its activities, says Magnus Palmgren, ombudsman at IF Metall.
The Piranha dump. As big as 118 football pitches and 22 metres tall. Eyes are running. It is getting harder to breathe. It is smelly. A mixture of excrements, sewage, tyres on fire and rotten food. Around the 4-wheel-drive Mahindra jeep climbing up the mountain a pack of wild dogs are waiting. Some are growling. Others have an aggressive stare. Like a pack of hyenas circling their potential prey. Kantaben Parmar opens the door of the car and climbs out. She speaks in a loud voice, almost shouting, just as she has been doing all the time during the car ride. The dogs and the men driving the city’s garbage trucks lower their eyes and give way as she is approaching her members. This is Kantaben’s territory. She has been involved in recruiting over 100 women to the Sewa union, Self Employed Women’s Association.
Only women working in India’s informal sector are welcome in the organisation: Women who earn a living from picking garbage on streets and dumps; women selling vegetables in markets; women helping out on building sites; women whose role it is to carry heavy loads on their heads; women who don’t have proper job contracts and are without permanent wages.
More than 94 per cent of Indian women work in informal sectors. They are important cogs for the economic wheels to be turning in the country that is expected to pass China in 2022 to have the world’s largest population.
Once again Kantaben uses her strong voice. It echoes across the dump. Her female followers listen and begin making their way through food waste, plastic and all other kinds of waste that are produced by the town’s one million inhabitants.
Suddenly all work on the dump stop for a while. Two rumbling lorries are on their way with valuable garbage. The fast young men, the migrant workers are first in place. A squeaking sound as the platform of the lorry is rising. A new load of steaming garbage is dumped. The stench, that was already corrosive to the lungs, now becomes so intense that it makes the inexperienced feeling sick.
“ It took a month before I was used to the smell”, says Manjulaben Narendrablai Clavda, 37 years old, one of the few women who come to the dump six days a week.
American researchers have found that the air in garbage dump environments is so contaminated that it starts doing damage to the lungs already after one minute. Kantaben is laughing, wagging her head. The head wagging is common among Indians and sometimes hard for Westerners to interpret. This time Kantaben means that it is OK to go and talk to the members. They have gathered a bit further away and they are laying out a blanket that they brought. They sit down right in the middle of the garbage and bring out their lunch boxes. Different rice courses and chapati bread. Hands are washed in water they brought along. Actually, only the surroundings set this lunch break apart from any other in workplaces around the world. Workmates are laughing and sharing jokes. They try each other’s food.
Someone is helping a friend to attach a piece of jewellery in her ear. As they are sitting down, parts of their lower legs come into view revealing scars from glass and metal garbage and from dog bites.
The money that the Sewa members manage to earn from picking and collecting plastic, paper and metal must cover costs for a whole family. Many of them have men who do not earn much. In spite of that, the men don’t come to the garbage dump. They consider the work to dirty. The men that are here are migrant workers and Indians drivers of vehicles.
Kantaben grew so tired of her husband that she threatened to throw him out. He had lost his job and tried to get over his misery and bad lack by drinking home distilled liquor.
“I told him he was worthless, that I could d take care of our children myself.”

Kantaben Parmar is one of the leaders of Sewa.
Kantaben was given away for marriage at the age of 15. She didn’t go to school and never learnt to read or write. When she joined Sewa, not only did she experience sisterhood with other poor women, she also gained self-confidence and an insight into her own rights. Kantaben has come to be one of the leaders both on the garbage dump and in the slum area where she is living.
“In the beginning I did not dare to go out on my own.”
It was Kanraben who helped her relative Manjulaben when she came to the big city.
Manjulaben grew up in a village a few hours bus ride from Ahmedabad. Just like many other women in India’s rural areas she married young, and had two sons. Her husband had a job in a small factory in the vicinity and the family led a good life among relatives and friends.
Everything changed the day the husband came home and said that he had lost his job. The young family source of income was gone. Manjulaben still remembers the fear and anger when the move could no longer be postponed. But that was nothing compared to meeting all the people, the traffic, and noises in a big city that never quietens down.
“In the beginning I did not dare to go out on my own.”
The family tried to sustain themselves by selling various things at the market. The income was so scarce that it did not even cover their costs. In the end there was no other way out but Piranha. Before dawn, when it was still dark Manjulaben walked up on the garbage heap. The dogs were growling and barking close by, she did not know if they were going to attack. The smoke from the fires made her throat sore. One leg sank down to the knee in the stinking garbage gruel. The first period was the worst. She felt dirty and filthy. The stench was clinging to her skin and her clothes. Gradually it came to be like any other job.
Manjulaben has been coming to the dump for ten years. In the group there are people who have been working at Piranha for more that 40 years.
Sewa is helping its members with vaccination against tetanus, work gloves and curved picking sticks. Sewa has a total of 30,000 members working with garbage in Ahmedabad.
In fancier residential areas the garbage is collected directly from the households., but lately the government has contracted private entrepreneurs for this work which means that many Sewa members have to go back to picking garbage in the streets. India is very far from the garbage sorting culture that has developed in many industrialised countries. However, the industry has grasped the importance of recycling. Therefore the Sewa people are important in the collection and handling of material. And, not least, it gives a chance for individuals to break lose from the deepest poverty and find a living.

One of the city’s garbage trucks arrives at Piranha with garbage from the multi-million city Ahmedabad in northwest India. The pickers prepare to go through the stinking pile. Various metals are the most valuable. But often the truck drivers sort out the best bits for themselves before they drive up to the dump.

In addition to helping the members with insights, self-confidence, vaccinations and work tools Sewa has started its own small factories, schools and a bank.
Many women use the bank for hiding money from their men. There are many stories about men, how they take the families’ money and use it for gambling and to get drunk..
“We are helping our members to create a better future for themselves, says Manali Shah, chairman of Sewa in Ahmedabad.
Members can receive grants for school bags and textbooks for their children. The members’ daughters are often the ones working in the small factories.
“I am stuck on the dump but my children can have a better life. That is my consolation”, Manjulaben says.
Her home is in a slum area. The house is a shed with brick walls and a roof of corrugated iron and a door that can be locked. She is sharing her 15 square metres with her husband, two sons and the mother-in-law. In daytime the beds with rope mattresses are put up against the wall to make room for the preparation of food which takes place on the floor. Garlic, coriander and other herbs are crushed in a steel mortar. Kantaben is visiting and helps out. Today’d treat is a vegetarian pot with rice and bread, basic food in many Indian homes.
Manjulaben is dreaming of being able to buy a house of her own and work eight hours a day in an office. In India it is a sign of wealth to be able to purchase rice and flour for a whole year. As things are now the family can make a month at a time.
“The kids have grown. They cost more money. Before I could save more.”
The family gets along and has a decent enough life in Ahmedabad. Most of all Manjulaben wants to move back to her home village. But the chances of finding a work there is even worse.

During the lunch break Manjulaben is helping a friend fixing a piece of jewellery to her ear. Life is tough for the wild dogs on the dump.


At the dump the lunch is just finished. The blanket is being folded and some dogs stick their noses in the ground to search for scraps of food. Several of the women have a serious cough. One has asthma. Aching backs and joints are commonplace. Still several hours left to work.
Towards the afternoon the heavy bags with sorted material are taken to the scrap dealer’s which is just by the bottom of the heap. The younger ones are helping the older to weigh the waste on an old scale.
The scrap dealer, a man, I writing numbers in a notebook under the supervision of the pickers. Before the money is payed out all of them sit in a ring on the floor having chai tea in small see-through plastic mugs.
The women start getting on their feet. In an adjacent room they wash in a little cold water and change into clean saris. The garbage man takes out a pack of bills and counts the amount he is due to pay. Each rupie is carefully counted by the receiver. On a good day it can amount to the eqivalent of USD 1.5.
There is no risk that the scrap dealer and his male assistants could cheat the women. Kantaben explains:
“50 men can be against me. It does not matter. I know that hundreds of women are backing me.”

English translation: Lars Ryding

Foto’s: David Lundmark

Original Swedish text: Marcus Derland

md@da.se

http://da.se/2017/04/the-strong-women-on-the-garbage-dump/

Ankara a/d Amstel

Het was tijdens een grote demonstratie in Brussel dat ik een stukje opliep met Ton Heerts. Het was april 2014 en op een of andere manier kwam het ter sprake. Nu Koningsdag niet meer op 30 april valt ontstaat er wat lucht om 1 mei terug te pakken. Ton vondt dat een goed idee en we liepen verder zoals dat in een demonstratie gaat. In de “rush” van een grote demonstratie spreek je wel vaker wat vrijblijvende verklaringen naar elkaar uit.
In Januari 2015 kwam het onderwerp terug. Ik was in de fusie inmiddels vrijgesteld van mijn primaire taken en had nog enkele resterende taken waaronder het zgn campagne team. Toen het ter sprake kwam ben ik eigenlijk onmiddelijk gaan denken hoe we dit zouden kunnen doen en maakte een eerste presentatie voor ons campagneteam en daarna het dagelijks bestuur.

Open, vrolijk, positief en een goede balans tussen informatie, inhoud en amusement. Waarbij de amusementsfactor mensen zou moeten trekken die normalerwijs thuisblijven. Een evenement waarvan je achteraf tegen de thuisblijvers zegt: je had erbij moeten zijn. En natuurlijk moet dat net als in andere landen in de hoofdstad, in Amsterdam. Ik had de hele kermis in het Vondelpark bedacht. Een totaal concept.

Intussen trok ik met een vurige pitch naar verschillende bijeenkomsten in het land om de organisatie en het enthousiasme aan te wakkeren. Er was ook overleg met de gemeente Amsterdam, de deelraad en het kabinet van de burgemeester. Alles liep de goede kant op, maar opeens begon de gemeente bezwaar te maken tegen de locatie en moest er worden uitgeweken. Ook daarna ontstonden er allerlei organisatorische fricties.

In 2016 deed ik inmiddels wat anders maar volgde natuurlijk hoe het verder ging. Nu was op voorhand met de gemeente een locatie afgestemd, het Oosterpark. Nadat een handvol yuppen die meenden dat het park exclusief voor hen is aan de bel trokken, begon de gemeente moeilijk te doen. Er volgden allerlei extra voorschriften en beperkingen. Het ging letterlijk over decibellen en grassprietjes. Opeens maakte de Burgemeester uit hoe een demonstratie er uit moet zien door te stellen dat een DJ en eten niet bij een demonstratie horen. En, een unicum in de vrije westerse wereld, FNV moest een waarborgsom voor het gras betalen. De FNV bleef net binnen de randen van de voorwaarden maar het gepruttel ging nadien nog een tijdje door.

Dit jaar zie ik de aankondiging van het evenement. De kern van mijn concept mist : aantrekkelijk amusement. Bronnen vertellen dat de gemeente Amsterdam nu heeft bepaald dat er geen grote namen mogen komen en zeker niet aangekondigd. Er zijn communicatie beperkingen opgelegd. Een regelrechte aantasting van het recht van vereniging, demonstratie en vrijheid van meningsuiting. Genoeg om de gemeente voor de rechter te slepen. De FNV volgt gedwee. Het wrange is dat voor zeer grote commerciele evenementen zoals SAIL de halve stad op de schop gaat. Dus overlast argumenten zijn nogal hypocriet. Amsterdam wil gewoon geen rode stad meer zijn.

In mijn huidige baan kom ik in landen waar vakbondsrechten niet vanzelfsprekend zijn. Er bestaat zelfs een wereldkaart die het inzichtelijk maakt. Amsterdam kan er zo langzamerhand wel bij: Ankara a/d Amstel.